Selecteer een pagina

Ibrahim gaat alleen

Dit verhaal is van iedereen en van alle tijden. Lees hier het eerste hoofdstuk. 

Hoofdstuk 1. Jara

Ibrahim liep we bij de tent. ‘Ik ben zo terug, even iets bekijken.’ Hij zwaaide zijn rugzak op zijn rug. In de rugzak zat een flesje water, een schepje, doorzichtige potjes, stevige handschoenen, een zakmes en zijn kleine grondboor. Zijn moeder had de grondboor gemaakt voor hem. 
De vorm was als een T. Hij kon de uiteinden bovenaan vastpakken om mee te draaien. Onderaan zat een punt met daarboven een opening. Wanneer hij dan de punt in de grond draaide kon hij het zand naar boven halen. Het zand stopte hij vervolgens in een potje om te bewaren. Het was een kleine boor, een rugzakformaat. 

De tent stond aan de rand van het terrein. Ibrahim liep een stuk omhoog tegen een heuvel op. De grond was hier dor en droog. Hij wist niet zeker of zijn boor wel sterk genoeg was. Bij een struik zette hij zijn rugzak neer. Hij pakte de boor vast en begon te draaien. De grond was te hard. Hij haalde de boor een stuk omhoog en liet de punt vallen. Niets. Ibrahim voelde een zweetdruppel over zijn rug naar beneden kriebelen. Hij probeerde het nog een keer. Weer niets. Misschien moest hij een beginnetje maken met zijn schep. Hij hakte met zijn schepje in de grond. Slechts een klein laagje zand kwam los. 

Ibrahim keek op. In de verte hoorde hij iemand roepen. Het geluid kwam steeds dichterbij. Jara.

‘Hey,’ hijgde ze. ‘Hoorde je me..,’ Jara leunde met haar handen op haar knieën. ‘..niet roepen?’
Ibrahim lachte. ‘Je moet echt wat aan je conditie doen, Jara.’
Ze keek op en gaf hem speels een klap op zijn schouder. ‘Kom,’ zei ze. ‘We gaan zo eten.’
‘Ik wil dit eerst even afmaken,’ zei Ibrahim. Hij bestudeerde de grond. Met al zijn gewicht hing hij op de grondboor in de hoop dat de punt de grond in ging. Niets. Jara stond naast hem. Als ze nou even meehielp ging het een stuk sneller. Ibrahim keek naast zich. Jara staarde in de verte. 
‘Wat is er?’ vroeg hij.
Geen antwoord.
Hij stond op en volgde Jara’s blik. Ze had tranen in haar ogen. Voorzichtig legde hij zijn hand op haar schouder. ‘het is maar voor even.’
Jara keek hem aan. ‘Even duurt al wel heel lang,’ antwoordde ze.

In het midden van dat dorre en droge landschap lag het kamp. Zo ver als hij kon kijken zag Ibrahim tenten, containers en kleine huisjes. Het stof en zand kleurde het kamp bruin. Toen hij een paar weken geleden was aangekomen in het kamp had hij zich niet gerealiseerd hoe groot het was. Ibrahim kreeg een naar gevoel in zijn buik. Onder elk dak woonde een gezin of een groepje mensen. Allemaal op zoek naar een veilige plek. 

‘Kom,’ zei Ibrahim. ‘We lopen samen terug.’ Hij pakte zijn spulletjes en stopte het allemaal weer in zijn rugzak.